Column

Zomer 2017

Vakantie!

 Eindelijk tijd om de ruim 600 bladzijden dikke biografie over Rachel Carson* uit te lezen.  De beroemde Amerikaanse auteur van Silent Spring (Dode Lente), die in 1962 als eerste het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen aankaartte.  Een populair boek dat ik destijds niet durfde te lezen vanwege de beklemmende titel. 

Carson was een getalenteerd schrijfster die in haar jonge jaren worstelde met de vraag of ze schrijfster of biologe (wetenschappelijk onderzoeker) wilde worden. Ze koos voor het tweede. Dankzij haar schrijftalent wist zij een breed publiek te interesseren voor verschijnselen in de natuur, vooral in en bij de zee. Toen ze aan het eind van haar korte leven (ze werd maar 57) Silent Spring schreef, was dit, ondanks de ingewikkelde materie, ook voor leken begrijpelijk geschreven. Wat door haar tegenstanders, met name uit de hoek van de chemische industrie (o.a. Monsanto) aangegrepen werd om haar als onwetenschappelijk neer te zetten.

En het antwoord op de vraag waarom ik me zo nodig -alsnog- in deze schrijver moest verdiepen? Dankzij publicist en groene pedagoog Kees Both maakte ik kennis met het boek The Sense of Wonder van dezelfde Rachel Carson.  Een poëtisch boek waarin zij met tekst en beeld het mysterie van de aarde, zee en lucht weergeeft. Voortkomend uit de intense belevingen van haar en haar neefje Roger, met wie zij al vanaf zijn babytijd de natuur introk. Dat maakte me benieuwd naar de achtergronden van deze vrouw.

De eerste 300 bladzijden vind ik ronduit taai, met talloze oninteressante uitweidingen over de verschillende personen die een rol in Carson’s leven speelden. Maar daarna pakt het boek me. De basis voor de strijd voor de bescherming van het milieu van deze vrouw blijkt voort te komen uit een van jongs af aan diepgewortelde verbondenheid met de natuur. Met recht voorloper van de milieubeweging, stelde ze de vraag of en waarom mensen het recht hebben om natuur te controleren, om niet-menselijk leven te vergiftigen of te vernietigen. Haar grote passie was, te getuigen voor de natuur. Door alles heen blijkt haar diepgevoelde ecologische visie dat alles wat leeft onlosmakelijk met elkaar verbonden is.

De tranen schoten me in de ogen toen ik de reactie las van een woedende krantenlezer:

We kunnen zonder vogels en dieren leven, maar, zoals de huidige instorting van de markt laat zien, we kunnen niet leven zonder business (handel).

Deze intense vervreemding van de natuur, die maakt dat ik groene pedagoog ben! Omdat ik me verbonden voel met de natuur. Omdat mijn missie is dat kinderen, de volwassenen van morgen, ervaren dat zij deel uitmaken van de natuur. Vooral dat zij gegrepen worden door het wonder dat in de natuur te vinden is. Zodat zij met respect voor deze natuur leven en deze waar nodig beschermen en verdedigen tegen de vernietiging zoals die meer dan ooit-plaats vindt.

Groen, ja en ook pedagoog: hoe treffend beschrijft Carson het belang van de volwassene die zich samen met een kind openstelt voor de wonderen van de ons omringende wereld! Zie onderstaand citaat uit The Sense of Wonder.  

“If a child is to keep alive his inborn sense of wonder, he needs the companionship of at least one adult who can share it, rediscovering with him the joy, excitement, and mystery of the world we live in.” (Rachel Carson).

.Een vertaling in het Nederlands doet geen recht aan deze prachtige uitspraak. Hij is me uit het hart gegrepen! Ik ben blij samen met kinderen de “Sense of Wonder” te mogen beleven.

*Linda Lear: Rachel Carson: Witness for Nature

Eerste uitgave Mariner Books, 1997

Reageren? Graag! info@natuurRijk-opgroeien.nl

 

voorjaar 2017

Over opa’s gesproken…

Mijn volkstuin-buurman stopt ermee. Tot mijn verrassing ontbloot hij zijn borst en wijst op een litteken: hartoperatie gehad. Hij is tachtig jaar, vertelt hij, het wil niet meer. Een beetje wrang: “en wat moet ik in mijn eentje met al die groenten? Als ik ze bij mijn kinderen breng zeggen die: daar heb je opa weer met z’n andijvie….

Er zijn leukere verhalen te vertellen over opa’s: De schoolkinderen uit mijn wijk komen weinig in de natuur met hun ouders. Ik heb het initiatief genomen om voor hen een kruidenheuvel in een natuurspeelpark in te richten. Regelmatig komen een paar groepen meehelpen. Daarna doen we natuurbelevingsaktiviteiten. Ze hebben het enorm naar hun zin. Een paar kinderen vertellen dat ze tussendoor naar de kruiden komen kijken “Met mijn opa, die weet veel van de natuur”.

En mijn collega duikt tijdens een pauzewandeling met haar neus in een bak met gele en bruine bloemen. “Ik was het vergeten”, zegt ze, “die heerlijke geur van muurbloemen. Dat doet me aan mijn opa denken, die had ze ook”. En vervolgens: Ik ga snel zaad kopen voor mijn eigen tuin”.

Op een zorgcentrum stimuleer ik als groene pedagoog natuurbeleving voor de bejaarde bewoners. Met bakken -op rolstoelhoogte- vol pepermunt, lavendel, dropplant, snoeptomaatjes en aardbeitjes. En op verzoek kleurige geraniums en ouderwetse duizendschonen. De bewoners genieten volop van de smaak, de geuren en kleuren. Maar ik wil méér op dat zorgcentrum: een belevingstuin! Met een bloemenplukweide en een waterspeelplek met een pomp. Zodat de (klein)kinderen niet meer roepen: “moet ik weer naar opa, saaaaai”. Maar:” fijn, ik ga bij opa spelen. Dan vraag ik of hij wil pompen!”

En mijn eigen opa? Hij stierf toen ik twee was. Ik ken hem alleen van een foto, streng en serieus. Dat hij ook een andere kant had, hoorde ik van mijn vader. In zijn moestuin strooide hij tussen de keurige rijtjes groenten zwierig handenvol bloemzaad.

Ik heb het niet van een vreemde…

Zomer 2016

Libel

Jop is 3 jaar als zijn babyzusje Rosa overlijdt. Zijn ouders vertellen hem…
dat ze in de hemel is bij Bijke, hun overleden hond. Jop is erbij als ze haar liefdevol begraven. Als Jop 6 wordt, is hij druk en vaak somber. Zijn zusje zit op zijn schouder, zegt hij. Zijn ouders melden hem aan bij onze praktijk. Ze denken dat hij niet echt afscheid van Rosa heeft genomen.

Jop komt een paar keer spelen en praten in onze spelkamer. Ik vraag of hij denkt dat zijn zusje gelukkig is. Nee, zegt hij ernstig, ze ligt onder de grond in het donker en ze kan niet bewegen. En ze maakt niet mee wat ze mee had kunnen maken. Zijn ouders zijn verbaasd. Jop weet toch dat Rosa in de hemel is! Maar Jop heeft vooral de herinnering aan wat hij als driejarige gezien heeft. De denk-stap van het zusje onder de grond naar een zusje in de hemel kun je dan nog niet maken.

Om te begrijpen wat er met zijn zusje gebeurd is, stel ik ouders voor om een verhaal voor Jop te schrijven over de libel. Daar zal ik dan een boekje van maken voor hem.

Libellen leven als larven onder water. Totdat een van hen aan een rietstengel omhoog klimt. Hij belooft de andere larven om te vertellen hoe het boven water is. Boven gekomen barst hij uit zijn larvenhuidje en wordt een libel met prachtige gekleurde vleugels. Hij vliegt heerlijk in het zonlicht. Maar… hij kan niet meer terug. En ookal had hij het gekund, de larven kunnen hem niet meer herkennen. Er is alleen nog zijn huidje, dat leeg aan de rietstengel achterblijft.

Moeder schrijft het verhaal van Belle, de libellenlarve. Ze voegt eraan toe: Wij zijn net als de libellen. Dat wij ons zusje niet meer kunnen zien, wil niet zeggen dat zij er niet meer is. Haar lichaam is vergaan, maar boven in de hemel is ze iets heel moois geworden. Ze denkt vast vaak aan ons en kijkt dan met een glimlach naar beneden.

In de spelkamer lezen zijn ouders het verhaal aan Jop voor. Hij luistert intens. Als het uit is, zegt hij: Gaan we nu spelen? Hij leeft zich dan flink uit, samen met zijn vader. De keer daarop maakt Jop in de spelkamer een prachtige tekening, van eitje tot larve tot libel. Dit wordt de voorpagina van zijn boekje dat hij dezelfde dag mee naar huis neemt.

In de weken daarna komt bij Jop geleidelijk het besef dat het goed is met zijn zusje. Ze kan van zijn schouder af.

 

Zomer 2015

Oogsten

Ze zit op voetbal en zoals ze zelf zegt, ook “op de psycholoog”. Haar hoofd is vol door de nare en ingewikkelde dingen die ze heeft meegemaakt.
Het maakt haar rusteloos en on­ge­con­cen­treerd. In de spelkamer wil het niet zo vlotten. Natasja geniet van de aandacht van “haar” psycholoog, maar gaat nauwelijks een band aan. Ze vliegt van het n naar het ander en komt niet tot verdieping.

Na een aantal sessies besluit ik met haar naar buiten te gaan. Speciaal voor haar leg ik een tuintje aan. Iedere keer gaan we gewapend met gieter, gereedschap en lekkers naar buiten. We zaaien boontjes, snijbiet, paarse basilicum en bloemen. Ook hier is Natasja’s aandacht kort. Als er genoeg variatie is en het niet te lang duurt, heeft ze het naar haar zin.
Maar na een aantal keren heeft ze er genoeg van. Ze wil weer binnen spelen; we spreken af om dat weer een keer te doen. In de tussentijd houd ik het tuintje bij.
Als Natasja weer komt, zeg ik dat het goed is ze als ze binnen wil spelen. Maar, zeg ik, we hebben zo hard gewerkt en nu zie je niet hoe goed alles gegroeid is en hoe mooi de bloemen bloeien. Nou, dan gaan we voor deze keer naar buiten, zegt ze.

Als ze het tuintje ziet, is Natasja verrukt. Ze plukt boontjes voor oma, die net uit het ziekenhuis is. En voor moeder en peettante oogst ze snijbiet en basilicum. Daarna maakt ze een aantal boeketjes. Voor mama, oma, peettante, zichzelf en haar zusje. Ze is zorgvuldig en geconcentreerd bezig en kiest mooie kleuren. Ze vraagt mijn advies en we werken voor het eerst echt samen: zij plukt en ik bind de bosjes.
Met haar armen vol groente en bloemen arriveert ze bij opa die haar komt ophalen. Spontaan geeft ze hem het mooiste boeketje. Geschrokken realiseert ze zich dan dat ze te weinig heeft. We overleggen samen en maken van 1 bosje 2. Opgelost! Stralend vertrekt ze met de oogst uit haar eigen tuintje naar huis.

 

Voorjaar 2015

Zaaien

Ze is pas acht jaar, Yolande. Een leuk meisje met een mooie blonde paarden­staart, speels, vaak vrolijk. Drie maanden geleden was ik er bij toen haar ouders haar heel dapper vertelden dat ze nooit meer thuis kon komen wonen. Yolande was heel verdrietig en werd beurtelings door haar vader en moeder getroost.

Onze wegen hebben elkaar op verschillende manieren gekruist. Ik kom als gedrags­weten­schap­per in het gezinshuis waar Yolande sinds een klein jaar woont. Daarvoor woonde ze vanaf haar zesde in een leefgroep. Haar groepsgenootje Tycho was bij mij in speltherapie en Yolande kwam bij het halen en brengen soms mee. Ze groette me altijd en begon, of dat nu uitkwam of niet, meteen iets te vertellen. Toevallig zat zij óók nog op de school waar ik natuuractiviteiten doe. De kinderen gingen mee naar een akker om rogge en bloemen te zaaien en later te plukken. Vooraf gaf ik een zaailesje in de klas, want zaaien is nog niet zo eenvoudig, zeker niet voor kinderen van het speciaal onderwijs. De kinderen waren altijd heel geboeid tijdens het lesje en konden goed bedenken waarom je de zaadjes voor je uit moest strooien en niet omhoog de lucht in. Droog oefenen hielp ook: pak een handje zaad, doe een stap, strooi het voor je uit, dan nog een stap, weer een handje en ga zo door tot je bakje leeg is.

Vandaag moet ik Yolande in het gezinshuis vertellen dat ze hier weer weggaat en opnieuw, en nu voorgoed, in een woongroep gaat wonen. Ze kan geen moment alleen gelaten worden. Ze pest de andere kinderen en de hond en weet bij iedereen de zwakke plekken te raken. Er lijkt geen meegevoel in haar te zitten, ze denkt alleen aan zichzelf en vraagt continu aandacht. De andere kinderen in huis voelen zich onveilig. De hoop van alle betrokkenen dat ze in een gezinshuis groot zou kunnen worden is vervlogen, ondanks de enorme inzet van de gezinshuis­ouders en het team eromheen. Allemaal zijn we verbijsterd dat een dergelijk jong leuk meisje zo’n ernstige gedragsstoornis kan hebben.

Yolande en ik zitten op haar kamertje en ik vertel haar het nieuws. Er is geen spoor van emotie te bemerken. Ze vraagt of ze dan weer naar haar oude groep gaat? En naar dezelfde school? Want daar is haar vriendinnetje Maria. Verder maakt ze wat praktische opmerkingen en vraagt of het spannend is als ze er gaat kijken. Als ik zeg dat ze dat wel kan is ze snel gerustgesteld.
Ze laat me haar sinterklaascadeautjes zien en we kletsen over dagelijkse dingen. Omdat ze niet meer zo goed weet wie ik ben, vertel ik dat ze meekwam met Tycho. Daar heb je een hele tijd bij in de groep gezeten. Ze kan zich hem niet herinneren, ook andere kinderen niet. Als ik haar eraan herinner dat ik daar ook op school kwam gaat haar een licht op: o, jij was de tuinmevrouw! En meteen: staan de bloemetjes nog? Ik: niet meer, maar ze hebben heel lang gebloeid. En de rogge is heel hoog geworden, nog hoger dan jij bent. O ja, zegt ze. En haar handje maakt het zaaigebaar terwijl ze enthousiast zegt: een stapje, een handje zaad, strooien. ..

Stiekem hoop ik dat hier een kans ligt- wie weet kan zij zich verbinden met de bloemen en planten waar het met mensen en dieren (nog?) niet lukt.
[ de naam Yolande is gefingeerd, zij is niet het meisje op de foto. ]